Pastorie Pastorie
De huidige pastorie van onze gemeente is in 1935 gebouwd. Voor die tijd stond op bijna dezelfde plaats, maar dan iets noordelijker, de oude pastorie. In het begin van de jaren dertig had de Hervormde Gemeente enige jaren geen predikant en waren er nogal wat moeilijkheden in de toen zeer kleine gemeente. Hierdoor waren de inkomsten voor de Kerkvoogdij, die binnen de Hervormde Gemeente belast is met het beheer van de financiën en andere materiële zaken, ook laag. Het gevolg hiervan was dat de armlastige Kerkvoogdij jarenlang bij de Diaconie moest aankloppen om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen. De Diaconie zat vanwege haar in het verleden gevormde vermogen wat ruimer in haar financiële jasje zodat dit voor de Diaconie geen probleem was. Maar hoe kon een Kerkvoogdij in een dergelijke slechte financiële situatie besluiten tot de bouw van een nieuwe pastorie? Een interessante vraag om eens te belichten en tevens te bekijken hoe de bouw van de pastorie tot stand is gekomen.

Waarom een nieuwe pastorie?
Wanneer de ‘oude’ pastorie aan de Dorpsstraat is gebouwd, is niet bekend. Feit is wel dat deze woning in de jaren dertig behoorlijk oud was en dat deze voordat er een nieuwe dominee zou komen, fors gerenoveerd zou moeten worden. Daarbij kwam dan nog dat dit pand eigenlijk ook veel te groot was. De gemeente was in die tijd gedurende ongeveer drie jaar vacant. De reden hiervan was vooral een conflict tussen de Kerkenraad en de Classis. De Classis, zeg maar het regionale orgaan dat toezicht houdt op de kerkelijke gemeente, had toen een vrij grote invloed omdat de gemeente als het ware "onder curatele" was gesteld. De kerkenraad wilde een predikant beroepen die behoorde tot de Gereformeerde Bond, terwijl de Classis dat niet wilde. De Kerkvoogdij wilde bovendien het traktement hoger vaststellen dan op grond van de landelijke regeling mogelijk was omdat men van mening was dat anders geen dominee een beroep zou aannemen. Door de al genoemde slechte financiële situatie kreeg men daar in eerste instantie geen toestemming voor. Maar uiteindelijk lukte dat toch en in 1935 nam dominee J.J. Poot het op hem uitgebrachte beroep naar Bunschoten aan en kwamen de plannen voor de bouw van een nieuwe pastorie in een stroomversnelling.
De gelden voor de bouw hiervan waren in principe al beschikbaar. In de jaren daarvoor had de Kerkvoogdij enkele percelen grond aan de "Entewei" (het Stadsspui) en in de "Kromme Wouter" (nabij de Oosterstraat) verkocht en de opbrengst daarvan moest op last van het Provinciaal College van Toezicht worden belegd. Deze opbrengsten waren voldoende voor de bouw van een nieuwe pastorie. Ook al waren de inkomsten voor de Kerkvoogdij gering, er was wel voldoende vermogen voor een nieuwe woning voor de predikant.

Plannen voor de pastorie
Uit de notulen van de vergaderingen van kerkvoogden en notabelen blijkt dat op 8 november 1933 voor het eerst de bouw van een nieuwe pastorie ter sprake wordt gebracht. Notabel G. Koops stelt voor hiertoe over te gaan en besloten wordt om hierover met de consulent te gaan spreken. Een maand later wordt besloten om het Provinciaal College van Toezicht te vragen of men akkoord wilde gaan met dit plan en of hiervoor het belegde geld mocht worden aangewend. De toenmalige president-kerkvoogd P. ter Beek Pzn nam op zich om dit in Utrecht te gaan bespreken. Blijkbaar is de uitkomst van dat gesprek wel gunstig geweest, want op 27 maart 1934 blijkt er ineens een tekening te zijn. Deze tekening was vervaardigd door Peter Frans Koops, een broer van notabel G. Koops. Met de tekening wordt akkoord gegaan en tevens wordt besloten om een verzoek te doen om een bijdrage te mogen ontvangen van €2273,00* uit het Fonds voor Noodlijdende Kerken.

Dan is het een jaar stil rond de bouwplannen; althans in de notulen. Precies een jaar later op 27 maart 1935 wordt in de vergadering gevraagd of het eventueel mogelijk is de onderwijzerswoning in te richten als pastorie. Deze woning stond schuin voor de toren, ongeveer tussen de huidige fietsenstalling en de Dorpsstraat en was vanwege de opheffing van de Hervormde School in 1935 leeggekomen. Uit het antwoord van de voorzitter blijkt dat de woning te klein is en de omgeving niet geschikt is voor de woning van een dominee. Bovendien was deze woning eigendom van de Diaconie. Het huren van deze woning zou net zoveel kosten als de rente van het geld dat nodig was voor een nieuwe pastorie. Het besluit om een nieuwe pastorie te bouwen wordt dus gehandhaafd.

Op de vergadering van 25 mei 1935 blijkt dat dominee Poot het beroep naar Bunschoten heeft aangenomen en er moet dus haast worden gemaakt met de bouw van de nieuwe pastorie. De begroting hiervoor bedraagt €3.182,00 + €318,18 voor de architect en de opzichter. Het geld dat op de bank staat is hiervoor toereikend en aan het Provinciaal College van Toezicht zal worden gevraagd of het geld hiervoor mag worden gebruikt.

Deze goedkeuring kwam vlot en op 1 juli 1935 vond de aanbesteding plaats. Twaalf aannemers waren op de aanbesteding aanwezig (niet alleen uit Bunschoten, maar ook uit Nijkerk, Harderwijk, Hoogland en Amersfoort). Aannemers uit Bunschoten waren o.a. R. Nieuwboer, Bonneveld & Van de Hoogen en H. Dekkers. De hoogste inschrijver was ene Montfrans voor €4.945,00 en de laagste was Dekkers voor €3.582,00. En dat was toch bijna €409,00 boven de begroting. Omdat hiervoor geen goedkeuring was verkregen, kon het werk niet worden gegund. Daarom zou zowel met de laagste inschrijver als met het Provinciaal College worden gesproken. Het bestek werd door de architect met Dekkers doorgelopen en daaruit kwam naar voren dat er €91,00 kon worden bezuinigd zonder dat er aan de deugdelijkheid iets werd veranderd. Alleen enkele luxe zaken werden eruit gehaald. Ook het overleg met het Provinciaal College van Toezicht was positief verlopen. De pastorie mocht nu €3.491,00 kosten en met inbegrip van honoraria etc. €3.864,00. Op 9 juli 1935 werd besloten de aannemer het werk te gunnen en er kon dus worden begonnen met de bouw.

Het vreemde was alleen dat de bouw niet werd uitgevoerd door aannemer Dekkers, maar door de pas voor zichzelf begonnen aannemer W. Koelewijn, de grondlegger van het huidige Koelewijn Bouw B.V. Uit het waarom hiervan blijkt niets uit de notulen. Feit is wel dat Dekkers in die tijd failliet ging en dat een van de werknemers, de al genoemde Koelewijn, op dat moment voor zichzelf begon en al het werk van Dekkers overnam.

De bouw 
Tijdens de bouw werd nog besloten om af te zien van een eerste steenlegging, maar wel in het voorportaal een steen te plaatsen met het bouwjaar en de namen van de kerkvoogden en notabelen. De werklui die aan de bouw meewerkten kregen een fooitje van €0,90 per persoon. Er werkten 12 personen aan, dus dat was in totaal €10,80. Dat lijkt in onze tijd weinig, maar het was toch + 0,3 % van de bouwsom. Afgezet tegen de huidige prijzen zou dat bij een bouwsom van 4 ton een bedrag van €1.200,00 zijn.

In november werd nog besloten om de muur achter de pastorie weer op te metselen en ook de tuin opnieuw aan te leggen. Graszoden voor het gazon werden op een goedkope wijze verkregen door deze te steken in de "maten" (een perceel weiland in de Maatpolder dat eigendom was van de Kerkvoogdij).

In december 1935 werd de pastorie opgeleverd. Kort daarvoor werd nog met de gemeente overeengekomen dat op de strook grond langs de weg een trottoir mocht worden aangelegd, in ruil waarvoor de gemeente voor €98,00 het muurtje met het hekwerk voor de pastorie liet bouwen.

Financiële situatie
Uit de kasboeken blijkt dat aan de aannemer uiteindelijk een bedrag van €3.468,00 werd uitbetaald, dus nog minder dan met Dekkers was overeengekomen. De kosten voor de architect bedroegen precies het afgesproken bedrag van €318,00. Deze kosten kwamen niet voor in het gewone exploitatieoverzicht van de Kerkvoogdij. De overige kosten die met de bouw gemoeid waren weer wel. De aanleg van de tuin kostte bijvoorbeeld €70,00. Aan reiskosten naar Utrecht €2,75; aan leges voor de bouwvergunning €4,55; het aanleggen van de riolering €6,85 en aan telefoongesprekken €2,10. Inclusief de fooi voor de werklieden kostte het hele project dus €3.883,00.

De totale uitgaven voor de kerkvoogdij over 1935 bedroegen exclusief de kosten van de pastorie €2.195,00. De inkomsten waren iets lager, namelijk €2.193,00. In dat bedrag was wel een subsidie van €1.364,00 begrepen van de Diaconie. De overige inkomsten bedroegen €363,00 aan landpachten en huren, €160,00 aan rente, €96,00 als opbrengst van de collectes en € 06,00 aan het zitplaatsengeld over 1934 en 1935. De vrijwillige bijdragen brachten slechts €69,00 op, al met al dus bepaald geen rooskleurige financiële situatie.

Desondanks durfde men het aan om een nieuwe pastorie te bouwen. Inmiddels is de pastorie alweer een aantal malen gerenoveerd voor een bedrag dat de toenmalige bouwsom ruimschoots overschrijdt. Dit geeft aan dat er in die tussentijd sprake is geweest van een gigantische geldontwaarding. De bedragen uit 1935 komen ons nu laag voor, maar waren in die tijd heel gewoon. Overigens vertoont de woning veel overeenkomsten met de woning Molenstraat 35 die in 1939 naar een ontwerp van dezelfde architect is gebouwd.

* Voor het gemak vermelden we alle bedragen hier in euro’s; uiteraard hadden we toentertijd nog de Nederlandse gulden (NLG).
terug